Navigatie overslaan

Vissenonderzoek Zandmaas

De Zandmaas is een traject van de Nederlandse Maas dat loopt van Linne tot Sambeek. Het wordt gekenmerkt door versteende oevers en vier stuwen in de hoofdstroom. Deze stuwen zorgen voor voldoende waterdiepte voor de scheepvaart, maar vertragen tegelijkertijd de natuurlijke stroming van het water. Het ontbreken van een vrije rivierstroming heeft grote gevolgen voor de visgemeenschappen, met name voor soorten die afhankelijk zijn van stromend water: de zogenaamde rheofiele vissen. Voorbeelden hiervan in de Zandmaas zijn: Barbeel, Kopvoorn, Sneep, Winde en de Serpeling.

Natuurherstel in de Zandmaas

Al tientallen jaren wordt gewerkt aan natuurherstel in de Zandmaas. Rijkswaterstaat voert verschillende maatregelen uit, zoals:

  • aanleg van natuurvriendelijke oevers
  • herstel van beekmondingen

Hoewel deze maatregelen belangrijk zijn, wordt maar zelden onderzocht hoe effectief ze daadwerkelijk zijn voor visgemeenschappen. Bij dit onderzoek werken meerdere partijen samen; Wageningen University & Research (WUR), Rijkswaterstaat, Sportvis Unie, Waterschap Limburg en het Onderzoeksbureau ATKB.

Onderzoek naar effectiviteit van maatregelen

Binnen het promotieonderzoek van Wageningse promovendus Luc Visser wordt gekeken naar het effect van deze herstelmaatregelen. De nadruk ligt op de rheofiele vissoorten.

De kennis over de ecologie van deze soorten in de Zandmaas is nog beperkt. Dat maakt het lastig om natuurherstel optimaal vorm te geven. Daarom wordt gebruikgemaakt van verschillende onderzoekstechnieken, waaronder:

  • Environmental DNA (eDNA)
    Hiermee kan worden vastgesteld welke vissoorten aanwezig zijn. Dit heeft al geleid tot een gedetailleerd beeld van de geografische verspreiding van vis in de Zandmaas.
  • Vangen en monitoren van jonge vis
    Hiermee wordt inzicht verkregen in opgroeigebieden en overleving.
  • Zenderen van volwassen vissen
    Hiermee worden trekgedrag en leefgebieden in kaart gebracht. 

Belang van zijbeken

De instromende beken spelen een cruciale rol voor rheofiele vissoorten. Ze kunnen dienen als:

  • paaigebied in het voorjaar
  • vluchtgebied bij hoge waterafvoer in de winter
  • opgroeigebied voor jonge vis in de zomer

Door vissen te zenderen, wordt duidelijk of en in welke mate, deze beken daadwerkelijk worden gebruikt. In Limburg werkt het Waterschap actief aan het verbeteren van de optrekbaarheid van deze beken en het herinrichten ervan, zodat ze voldoen aan de eisen van de Europese Kaderrichtlijn Water en de flora en fauna in de wateren vooruitgaan.

Eerste resultaten

De eerste resultaten uit het onderzoek zijn veelbelovend. Zo blijkt dat:

  • gezenderde vissen verrassend grote afstanden afleggen
  • er intensieve migratie plaatsvindt tussen Maas en zijbeken
  • paaiplaatsen zich vaak bevinden in snelstromende delen achter stuwen

Deze inzichten geven waardevolle handvatten voor toekomstig natuurherstel.

Deze website maakt gebruik van cookies voor een optimale gebruikersbeleving. Lees onze cookieverklaring