In welke richting mogen zich de tarieven ontwikkelen? Wat is de gewenste omvang van de reserves? Vragen die gesteld kunnen worden bij de behandeling van de begroting van het waterschap.
Waterschappen waren vroeger klein en betroffen vaak één enkele polder. Een polder die meestal op peil gehouden werd door één enkel wateropvoerwerktuig: de poldermolen. Het huishoudboekje van het waterschap was overzichtelijk. Kosten werden gemaakt voor het onderhoud van de molen en het loon voor de molenaar. Op de grondeigenaren in de polder rustte de plicht om, na rato van oppervlakte, die kosten op te brengen. De loonkosten van de molenaar varieerden in de loop der tijd nauwelijks. Dit in tegenstelling tot de onderhoudskosten aan de molen. Deze konden, van jaar tot jaar, heel sterk fluctueren. Alle reden om een voorziening te vormen om de kosten, over de jaren heen, te kunnen egaliseren.
Van de Oudegeinse polder zijn de rekeningen uit de 18e eeuw bewaard gebleven. De polder werd bemalen door een naar de polder vernoemde molen. Eén maal per jaar kwamen de bestuurders van de polder op de molen bij elkaar om de balans op te maken van de kosten van het voorbije jaar. Op basis van de kosten werd de omslag voor de ingelanden, per morgen grond, uitgerekend. Het, altijd naar boven, afgeronde bedrag werd dan het tarief voor het komende jaar. Het door afronding ontstane (kleine) positieve saldo werd meegenomen naar het volgende jaar. De gehanteerde methode leidde tot sterke jaarlijkse schommelingen in de tarieven.
Een bijzondere, jaarlijks terugkerende, post was, wat we nu als ‘overhead’ zouden wegschrijven. De bestuurders van de polder Oudegein waren gewoon, wanneer zij voor hun jaarlijkse bijeenkomst op de molen kwamen, een hapje te eten en een slokje te drinken. De vrouw van de molenmaker/timmerman was dan verantwoordelijk voor de catering. De kosten van wat de heren op één dag consumeerden kwam overeen met het maalloon voor de molenaar voor geheel jaar. En niemand die daar, volgens wat ons is overgeleverd in de archieven, om maalde!
